Skip to content
1720

Dichtkundige ziele-zangen

Philippus Sorgen

Wijse: Psalm 79. I. KOmt Oceaan van ongemeene goetheid, Komt Eind'loos diep van ongesmaakte soetheid, Komt opend U verzegelde Fonteine, Doorwatert een Amechtige Woestijne: O Zee zoo water-rijk, Vloed over Dam en Dijk, Van onze hooge harten: Ach God gedoog het niet, Wy doen ons zelfs verdriet, En meenen u te tarten. I I. O levend' water dat den dorst kond stillen, Der gener die alleen maar drinken willen: Stroomd klare Vliet, gy schijnt byna bevrooren, En dompel ons tot over hooft en ooren, In JESUS dierbaar Bloed, Dien kostelijken Vloed, Daar duisende Melaatsen, Haar plagen wierden quijt, Wy gaan ons nu ter tijd, Aan die Bethesda plaatsen. I I I. O volle stroom, en groot getal van toevers, Op Sions heil, die leggen op U Oevers En gapen vast naar water, als de Vissen In 't gulle sand, daar zy haar hooft-stof missen; Komt op uw Oever staan,

Soo vol als de Jordaan, Doen Josua dien kloofde, Wy waren straks gedrenkt, Indien gy maar eens wenkt, Of zoo wy maar geloofden. I V. O schrickelijk, ô heilloos ongeloove, Word van dien Vloed om uwent wil verschooven? O Heer geef ons Lantarens om te soeken Naar dit gedrogt in winkelen en hoeken, Maakt dit het ons zoo bang, Wy willen desen Slang, In duisend stukken kerven, Wy kunnen langer niet, Het water van Uw' vliet, Ontbeeren, of wy sterven. V. Wy graven vast, aan alle kanten grebben Als eens d'Egyptenaars, Ach zal dit ebben Zijn zonder tijd? het is altijd van vloeyen, Ey doet op nieuw de dorre stammen groeyen: En dragen vrugt op vrugt, Kom heeld de Watersugt, Van u versmachte kind'ren, Of legt haar aan de Borst, En laafd haar fellen dorst, Uw' volheid zal niet mind'ren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.