Op de Wijse: O Kersnacht. 1. Hoe wonderbaar zijn u genaden! Hoe onbegrijplijk u weldaden, Die gy bewijst u kind'ren, Heer! Wiens mond of tong sal ooit uitspreken U liefde groot sonder gebreken? Niemand voorwaar Heer nimmermeer. 2. Op dat ik nog maar stille zwijge Van 't goed' (soud ik na u niet hijgen) Dat gy na 't lichaam my bewijst? G'hebt my bekleed, en kost gegeven, En in u goedheid laten leven; Mijn Ziel den Heer dog looft en prijst. 3. Ik lag seer jammerlijk vertreden In mijnen bloede daar beneden, Niemand en sag ik doe ô Heer, Waar ik my keerd' of henen wenden, Die my kond' hulp of heil toesenden, O dit bedroefde my nog meer. 4. 't Was vol van ramp en vol ellende Waar heen dat sig mijn oogen wenden, Als ik doe soo lag in mijn bloed, Seid gy; leeft, leeft, gy sult niet sterven,
Maar weder heil en vreugd verwerven, Voeld Ziele wat de Heer u doet. 5. Ik sta versteld, ô groote wonder, Dat my de Heere soo besonder Door zijnen Geest getrokken heeft My, my een nietig stof en aarde, Ja minder nog soo houd in waarde, Dat hy my zijnen Jesus geeft. 6. Wat heeft, ô Koning, u bewogen, Dat gy met my had mededogen, Soud' zijn om dat ik beter dogt Als anderen? of om het goede Dat g'in my saagt, Heer, wilt verhoeden, Dat ik dog sulks niet denken mogt. 7. 't Is maar alleen u welbehagen En goedheid, die my heeft ontslagen, En van dien vreemden dienst verlost, Die ik niet sonder groote schaden Van mijne Ziele seer beladen Ooit dienen sou, of dienen kost, 8. Wonderlijk is u langmoedigheid, Leer onnaspeurlijk u goedigheid, Voorwaar een kostelijke saak: Gy had, ô Heer, in mijne sonden, My smoren konnen als de Honden: Dog hier in had gy geen vermaak. 9. Wild my, ô Heer, nog meer verligten, Op dat ik ook mag and'ren stigten, En dat alsoo u lof, en eer Mijn mond en tonge mag verkonden: Want ik ben steeds aan u verbonden: Hier toe geef dog u Geest, ô Heer! A.V.V. In 's Hertogenbosch, den 27. Aug. 1675.
Cookies on Poetry Cove