Stemme: Sarbande van D. Dekker.
DOe Sara levens zat, Haar loop vollopen had, En uit de armen van haar' Abraham Gerukt was door de dood, Die beid haar oogen sloot, Toen hy by 't Lyk zijn rouw beweenen quam; Waar op zy wierd in Ephrons Lijk-spelon-ke, Op zijn bevel, daar toe bereid, gezon-ken.
2. Na dat in hem den rouw Van zijn beminde Vrouw Versleet, en d'ouderdom hem overviel, Gedacht hy aan zijn Zoon, Die hy voor d'eere-loon Van zijn Geloof, uit Godes handen hiel, Vermits hy wist dat hy alleene die was. Uit welkers Heup zou spruiten den Messias. 3. Dat uit hem naderhand Veel volks, waar by het zand Der Zee, hoe groot van tal, niet komt te pas, Voorkomen zou, na 't woord Uit Gods mond zelfs gehoord. En dat dien Zoon in stant gekomen was Om hem ten Houw'lijk aan een Maagd te geven, Waar meed' hy mocht in Trouw en liefde leven. 4. Een zaak die Abraham Gansch zeer ter herten nam, Dies sprak hy tot zijn trouw' en vrome knecht, Kom stel u hand daar neer, Onder deez' heup; en zweer My nu by God, voor wien 'k mijn' wegen recht', Dat gy mijn Zoon, mijn Isaak, niet zult trouwen, Aan een van deze Cananeesche Vrouwen. 5. 'K wil dit van u, al schoon Ik in haar Landschap woon'; Maar gy zult trekken na mijn Vaderland, Om uit mijn Mageschap Het puik der Jonkvrouwschap Godvruchtig, minn'lijk en van kloek verstand, Te nemen voor mijn Isaak; zweer my heilig Soo staa ik op u woord gerust en veilig. 6. Maar, zey daar op de Knecht, Mijn Heer ik bid u zecht Wat raad, soo nu de Jonkvrouw niet en wil Mijn volgen? zoud ik dan
Uw Zoon mee derwaarts an Met my vervoeren, en daar blijven, Tot dat hy met de Maagd zich heeft versproken, En zijnen Trouw-ring aan haar hand gestoken? 7. Neen, zei doe Abr'ham, neen Mijn Zoon moet daar niet heen. Maar luisterd toe, de Heer der Hem'len God, Die my eens zey: verhuis Flux uit uws Vaders Huis, Die doemaals kragtig sprak al zwerend tot My, zeggend, ziet dit Land zal ik uw Zaden Gaan geven, en haar daar vol op verzaden. 8. Zal door zijn Lucht-gezant U stieren daar te Land'; En zal u ook de Vrijster wijzen aan, Die gy met uwe re'en' Bewegen zult te treen Met uw, en van haare vrienden af te gaan. Maar zoo de Jonkvrouw 't met u niet wil wagen; Ziet daar, dan zijt gy van uw' Eed ontslagen. 9. Op die toezegging deed De Knecht een dieren Eed, Dat hy zig daar in trouw'lijk dragen zou, En nam zijn afscheid. Doe Flux rusten hy sich toe. En reisde met gelade Kemels, gouw, Tot hy Mesopotamiën in 't oog kreeg, Ook Nahors Stad, daar hy zijn hert om hoog steeg. 10. Hy gaf last aan zijn Li'en, De Kemels alle tien t'Ontladen, voor 't ontluiken van de Zon, Dicht by een water put Alwaar hy haar te nutt', Door 't reisen afgemat, ververschen kon: Mits daar de Hoeders daagliks haar begaven, Om 't dorstig Vee te drinken en te laven.
11. Daar boog hy zich ter ne'er, En zei (al smekend) Heer Gy God mijns trouwe Meesters Abraham, Die my tot hier behoedt Hebt, geeft dat 'k hier ontmoet De Maagd waarom ik deze reiz' aannam Wil die weldadigheid mijn Heer vergunnen, Dat zal hem tot in 't Graf verheugen kunnen. 12. Ik ben hier niet gewend, En gantschlijk onbekend, En hebbe zoo een zwaar last op de hand. Ik staa hier aan de Bron, Ach dat het wesen kon Dat 't puik der Harderinnen van dit Land, Die na gewoonten hier haar beesten drenken, My willig water uit haar Kruik wou schenken. 13. Dat zy, op mijn verzoek, Haar onbeschreumd verkloek My water aan te bien en aan mijn Vee. Dat die, ô Heere zy De Maagde-paarl die gy Voor Isaak voorgeschikt hebt, dat 's mijn Bee; Op dat ik daar door mag verzekerd wezen Van 't goed dat gy mijn Heere hebt bewezen. 14. Voor 't einde van 't Gebed Quam met een fluxe tred Rebecca met een Kruik op 't lijf gela'an Die Maagd, der Maagden Kroon, Zeer kuisch, uitmuntend schoon, En stelden 't daar recht op de Bron-put aan, En putte veerdig water in haar kruike, Voor 't Vee; en 't gunt men moest in huis gebruike. 15. Dit zag Eliëzer En quam gezwind van verr' De Maagd ontmoeten, zoo zy t'huiswaards ging, En sprak; Zoet Meisjen neemt
't Vrypostig' doen niet vreemd Van een uitlandig, reizend, Vreemdeling, Die moed' van reizen, en van dorst benaud is: Gund hem een dronkjen eer hy gantsch verflaud is. 16. Waar op dat zy terstond Sprak met een heusche mond, Ziet daar, mijn Heer, drink, en verkoel u borst: Daar staat mijn Kruik, ontziet My, nog mijn' arbeid niet, Voldoe uw drinkens lust en grage dorst; En als gy hebt gedronken, wil ik mede, Met u, en uwe Kemels Bronwaarts treden. 17. Daar zal ik voor dat Vee Ook putten, datze mee Verkoeling nutten; zoo gezeid, gedaan, Hy staat verbaast en zwijgt, En met gedagten stijgt Hy Hemelwaarts, en spand zijn geesten aan In 't overdenken of God door die zaken Zijn last, en reize wouw voorspoedig maken. 18. 't Gebulte Vee verfrischt En hunne dorst geslist Ontgespten hy zijn Maal, en toog daar uit En Voorhoofd-ciersel, groot En schoon, die hy haar bood, Mits hy haar koos voor Vader Isaacs Bruid, Daar nevens twee Kostelijk' arrem-ringen, Die hy haar wist zoet smekend' op te dringen. 19. Hy sprak tot haar, zoo zoet, Ey, pronk der Docht'ren, doed My dog de vriendschap dat gy my verklaard Wiens Dochter dat gy zijt; Op dat ik metter vlijd, Uw' Ouders mag gaan groeten. Openbaard My, of'er plaats is t'uwent om vernachten, Ik en mijn Vee, 'k zou my gelukkig achten.
20. Waar op zy hem beleeft Dees vriend'lijk antwoord geeft, Bethuels Dochter, ben ik, Milcaas Zoon, Die zy by d'Oude Man, Nahor, wel eer gewan En wat ons huis belangt daar is zeer schoon Gerief van bedding, stalling, stroo en voeder, En wel licht gunst by Vader, Moeder, Broeder. 21. Doe boog hy zich ter ne'er, En knielden voor den Heer: Lof zy den God mijns Heeren Abraham, Die zijn goetdadigheid Hem niet en heeft ontzeid: En die my op de Reis by d'hand als nam, En my geleid heeft als een trouwe hoeder, In 't Land en Huizing van mijns Heeren Broeder. 22. Terwijlen liep de Maagd' Na huiswaard, en gewaagd' Aan haar Vrouw moeder 't gunt haar is ontmoet; Maar als zulks wierd gehoord, Liep haar Broe'r Laban voort Ter Stad uit, en heeft Abr'hams Knecht ontmoet: Want hy 't verhaal zijns zusters had vernomen, En op 't verhaalt Geschenk nauw acht genomen. 23. Die sprak hem aldus aan: Wat blijft gy buiten staan, Mijn vriend, gy die de Heer gezegend heeft, G'hebt hier te lang gebeid, Ik hebb' ons huis bereid Voor u, en plaats voor al u Vee; begeeft U met my derwaarts heen, om daar te rusten, En u met ons blyhertig te verlusten 24. De Huisvoogd op die re'en Ging voort met Laban heen, En quamen met al zijn gevolg na 't huis, Een ieder een terstond
Hem flux ten dienste stond, En bragten overvloedig, by de ruis, Hoop, haver, strooy ten oorbaar van de Beesten, Elk woelde daar, de minsten en de meesten. 25. In deze bezigheid Wierd ook den Disch bereid, En daad'lijk wierd hem t'eeten voorgezet, En hy zulks ziende strak Met ernst, doch minn'lijk, sprak Dat spijs nog drank my in mijn' dienst belet; 'k Hebb' zaken van belang met u te spreken, Dat moet geschi'en eer ik kom brood te breken. 26. Doen heeft hy voorts gezegt, Ik ben Abrahams knecht, Die op 't bevel zijn Gods zijn Land verliet; Schoon hy als Vreemdeling Nu woond met alle ding Gezegend is, daar gy een staal van ziet; Vee groot en klein, goud, zilver, goed en Haven, Knechts, Maagden veelderley, zoo Vry' als Slaven. 27. Zijn Sara, lief en waard, Heeft hem een Zoon gebaard, Vry buiten tijds in hoogen Ouderdom, Een Zoon, een eenig kind Die hy zoo zeer bemind, En die hy al zijn' wettig Eigendom Geschonken heeft, om diens will' heeft mijn Heere Mijn duur' en ongemeenen Eed doen zweeren. 28. Te weten dat ik zou Voor hem zien na een Vrouw, Niet by de Docht'ren van 't Land Canaan, Maar spoedig trekken naar Zijn Vader-Land, om daar Een Maagd te zoeken en te kiezen, van Zijn zelfs Geslacht, om die zijn Zoon te geven. 'k Hebb' my, op die voorwaard', op reis begeven.
29. Als ik nu deze Stad Genaderd was, ik bad Tot God om licht in deze duist're zaak; Ook dat hy my de Vrouw Dog zelfs aanwijzen wouw, By hem voorschikt; hy hoord mijn Bede-spraak, En brengt Rebecca tot my, op die wijse Als ik hem bad, de Maagd my aan te wijse. 30. Nu dan, zoo 't u beliefd Wen gy mijn Heere liefd, En t'zamen hem goetgunstig zijt; vergund Dat spoediglijk Rebek, Met my van hier vertrek Maar zoo gy hier toe niet verstaan en kunt, Geev' my dog zulks, dat bid ik u, te kennen, Zoo zal ik, dog bedroeft, weer t'huiswaard rennen. 31. Doe spraken Betuël En Laban, wijs en wel, Wy zien dat deze zaak is van den Heer, Derhalven kunnen wy U niet ontzeggen; zy Die gy verzoekt staan wy u toe, en meer. Zy zy uws Heeren Zoon ten Echte Vrouwe, Den Hemel bindze t'zaam door liefd en trouwe. 32. Hier op de Knecht zich boog, En sloeg 't gezicht om hoog, En dankte God voor 't goed aan hem vergund, Hy bragt ook menig E'el En kostelijk Juweel, Goud, zilver, zoo gemunt als ongemunt Te voorschijn, die hy aan de Bruyd vereerde, Die zy met vrienden wil, en raad, aanveerde. 33. Daar nevens ging hy heen, En schonk veel kost'lijkhe'en, Aan Milca en aan Laban; zulks gedaan Wierd ieder in de Zaal
Geleid ten Avondmaal; Den Huis-voogd en die met hem zijn gegaan. Daar at en dronk men van de beste Spijse En Drank met vreugd', na 's Lands gebruik en wijze. 34. Daar na, in d'Ochtenstond, Elk uit zijn bedd' opstond, Doe sprak de Knecht's Bruids Bro'er en Moeder aan En zey, laat toe dat ik My tot het reizen schik, Hoe zeiden zy, daar op, alreeds te gaan, Laat toe dat 't Meisjen hier acht of tien dagen Verblijv', en afscheid neem' van Vriend en Magen 35. Hy we'er, ik bid het u Laat my dog trekken nu, Dewijl de Heer mijn weg kroond met geluk. Ook zeg ik u dit vry, Mijn Heer verlangd na my, Waar 't dan wel re'en dat ik hier lang vertuk? Dies laat my spoedig trekken met de Joffer, Op dat ik haar aan hare Bruigom offer. 36. Zy weer, wijl 't u behaagd, Kom roepen wy de Maagd Om aan te hooren uit haar eigen mond, Wat zy mag zijn gezind, Of zy wel met de Vrind, Op zijn verzoek, vertrekken wil terstond. Men roept haar en men vraagd haar, hoor Rebekka Wild gy wel aanstonds voort? zy weer, 'k vertrek, ja. 37. 't Besluit was kort en goed, Doen liet men metter spoed, Rebekka reizen met Aarts-vaders Knecht, En spraken biddend' daar Den zegen over haar, O onze Zuster, wierd met ernst gezegt, Den Hemel doe u groeijen, bloeijen, groenen; Zoo dat gy word tot duisend Millioenen.
38. Op dat u Zaad nu voort Bezit zyn' Haters poort. Rebekka heeft haar straks ter reiz' bereid, En heeft haar Maagden stoet, Bevolen metter spoed, Haar voort te reppen; die met veerdigheid Zijn met haar Vrouw ter Kemels opgestegen, En reden voort, na wensch van heil en zegen. 39. De reis was ongestoort, En gingen spoedig voort, Tot dat zy quamen by het Zuiderland, Daar Isaak woning hield En op die tijd geviel 't, Op 't vallen van den dag, dat hy zig vand, In 't Veld om God te bidden en te smeken; Dat hy heeft, by geval, eens op gekeken. 40. Na weinig oog gester, Verneemd hy dat van verr' Een bende Kemels komen'. En Bruid, Keek derwaars heen, en strak Verneemt z'haar vriend Isak, Zy springt van 't Beest, en roept, verschrokken, Wie is die man die daar van verre wandeld, 't Is hy, voor wien ik met u heb gehandeld. 41. Mijn Heer is 't, zeid hy, kom Treed tot uw Bruidegom, Ach zeiz' hoe klopt mijn hart-aar nu 'k hem zie! Met heeft dat Herders Wicht Bedekt haar aangezicht, En trok haar sluijer over d'oogen, die Zy schaam-rood niet derfd opslaan op haar Vryer, Dog wierd allenx bedaard, gerust en blyer. 42. Den vromen Isaak doe Liep vrolijk tot haar toe, En dat de Knecht zijn reis hem had verteld; En heeft zijn gang gewend.
Na zijn Vrouw Moeders Tent, Daar hy Rebekka heeft ter neer gesteld, En heeft haar doe gehuwd in liefd' en trouwe En trooste zich met zijn beminde Vrouwe. A.G. UIT.
Cookies on Poetry Cove