Skip to content
1720

Dichtkundige ziele-zangen

Philippus Sorgen

Kan worden gezongen, als: Myn ziel maakt groot den Heer.Jes. 64: v. 6, 7. Deut. 32: v. 35, 36. 39. 43. Jes. 59. en 60. Ezech. 37. Prov. 10. v. 7. en 14: v. 32. Jes. 57. v. 1, 2. Apoc. 14: v. 13. SIONS LIEFHEBBERS. 1. JEHOVA Sions Son, En schild, onpeilb're Bron Van goedheid, hoe beminn'lijk Is uwen Weg? te hoog En diep voor 's menschen oog: Wat is uw doen niet sinrijk. 2. Een onvernuftig volk, Beneveld door een wolk, Van reden sonder klaarheid, Komt setten sig ter neer Aan uwe voeten Heer' O Leven, weg, en waarheid.

3. Om 't heilsaam onderwys, Dat dwasen worden wijs Kan maken, en den slechten Doen komen tot verstand, Die uwen raad en hand Goedgunstig op wil rechten. 4. Gy werkt, en wy helaas! Bevinden ons te dwaas Van hert om te beseffen Uw doen vol Majesteit, Vol glansch, en Heerlykheid, Voor eeuwig te verheffen. 5. Is 't dan ons droevig lot, t'Ontbeeren 't soet genot Uw 's Heils? is 't vast beslooten? Dat gy (hoe lang sal 't zijn?) Verbergt uw schoon aanschyn, Als woud' gy ons verstooten. 6. Uw duif die quynd Heer, want Uw Geest ons onderpand, Dat leven van ons leven Wykt weg, en wy ontbloot, Die schijnen dor en doot, Als had hy ons begeven. 7. Gy geeft vast slag op slag, 't Word duister op den dag, Gy rukt uw lieve kind'ren Te midden van ons uit, Dus schijnt het uw besluit, Ons daaglijks te vermind'ren. 8. Wat nood waar 't wisten wy Uw' Opper-heerschappy, En wijs beleid t'erkennen; En wijl uw hand dus slaat, Vermoeid door eigen raad Ons aan u te gewennen.

9. Of dan 't verlies zeer drukt, Als 't Vander HAAR gelukt, Bevrijd van smert en zonden Ten Hemel in te treen, Daar was min' scha geleen Soo wy hem na sien konden. 10. En door een waar geloof, Voor 's vleesches wysheid doof U Heilig doen bemerken, En vergenoegd en stil, In Godes goede wil Ons herte gaan versterken.

SIONS BRUIDEGOM. I. RUSTE. 11. Tree toe verblinde schaar, Al zijn uw klachten naar, Komt set u aan myn voeten, In diep ootmoedigheid. 'k Wil door mijn goedigheid, Uw zielen nog ontmoeten. 12. Ach! opent uwen mond Myn schaapkens, 'k wil terstond U met myn goed vervullen: Zy werden nooit beschaamd, Maar tot mijn dienst bequaamd Die op my wachten zullen. 13. 'k Sta met mijn liefde ree, Als met een volle Zee Van allerley genade, Voor die als arm, en naakt Aan mynen drempel waakt, Met schuld en smet beladen. 14. Mijn volk gy zijt te ryk, En in een dikken slijk Van eygen werk gesonken:

Gy staat op eigen grond, Gy draagt u als gesond, Van eigen wijsheid dronken. 15. Ach waard gy moed', en mat, Eens al uw woelen sat, Ter rechten uitgeledigt! Hoe quam myn liefd' u voor? Hoe wierd gy door en door Gesuiverd en bevredigt? 16. Maar wagt, ik baan de weg, Die zelfs de grondslag leg Van Sions heil en luister, Om 't volk ontbloot en arm Te redden door mijn arm; Mijn liet breekt door in 't duister. 17. Als ik de wegen al Voor u betuinen sal Met doornen die u steken, En gy geen kans zult sien Om 't ongeval t'ontvlien, Of ergens door te breken. 18. Dan zult gy niet meer van Uw' waard' en eerste Man Stoutmoedig af gaan Wyken. Om in een donk're staat Naar boelen hulp en raad Gedurig om te kijken. I I. RUSTE. 19. 't Is waar 'k geef slag op slag, 't Word duister op den dag, En 'k ruk mijn lieve kind'ren Te midden van u uit, En 't is myn vast besluit U daag'lijks te vermind'ren. 20. Mijn Souverein bestel Beschikt het alles wel;

Mijn grondeloose reden Is regel van mijn doen, ' 't Geen gy niet kunt bevroen Moet worden aangebeden. 21. Maar hebt gy uit mijn woord Onkund'ge nooit gehoord, Dat als de hand der vroomen Sal wesen weg gegaan, En 't schijnt geheel gedaan, Dat dan myn Heil sal komen. 22. Als Sion sonder hoop Sal menen dat den loop Van mijn getrouwen zegen Voor haar is opgestopt, Van rampspoed overkropt En allesints verlegen. 23. Als hy zeer dunne werd Van Kind'ren, en de smert Voor haar schijnt ongeneeslyk, En dat de vyand woed Als in haar herten bloed, Door list en wraaklust vreeslijk: 24. Dan sal ik als een Held Ontwaken, en 't geweld Door Geest en kragt verdrijven, En aan een teed're Wees, Onmachtig, vol van vrees Mijn hulpe doen beklijven. 25. Ik zal 't verstrooide volk (Getrokken uit den kolk, En afgrond der ellenden) Versamelen tot een, En voegen been by been, En haar myn Geest toesenden. 26. Verquik u Christen schaar. Schep moed, myn woord is waar,

In stilheid en vertrouwen, Sal Sions sterkte zyn: Gedult versacht de pijn, En op myn naam te bouwen. I I I. RUSTE. 27. En of tot deser stond U drukt de versche wond, Het sterven van u broeder, En gy hem door de dood Gerukt siet uit den schoot Van Sion uwen Moeder. 28. Kom stel u leersaam aan, Laat varen eigen waan, Ik sal u onderwysen; Dit bitter sal uw stof Verschaffen tot mijn lof, Gy zult mijn goedheid prijsen. 29. Als gy te veel verwagt Van 't schepsel, 't geen u dagt De Man te zullen wesen, Waar door 'k wat groots sal doen, Soo wagt u voor myn ro'en, Ik wil u quaad genesen. 30. En nemen 't wel eens weg, Om al uw overleg, En hoop om verr' te blasen, En in uw agtingen En uw' verwagtingen U gantschlijk te verdwasen. 31. Gy hoopte deze Plant Van myne rechterhand Soud' als een Ceder groeijen, Maar 't was mijn wijs beleid, Hem in de eeuwigheid Voor eeuwig te doen bloeijen. 32. Verhef uw' hert, merkt op

In hem ten hoogen top Mijn vrye liefde steig'ren, Die 'k aan geen ziel vervuld Met armoe, smet en schuld, Maar ryken wel sag weigeren. 33. Leer hoe hy ondersteund Heeft op myn Naam geleund, Als alles scheen geweken; En hoe myn sout verbond Hem was een vaste grond, Myn trouwe nooit bezweken. 34. Hy leefde door geloof, Voor Satans leug'nen doof, Myn woord, mijn zuiv're waarheid Stont vaster als een rotz By hem, de Hel ten trots: Hier had zijn ziele klaarheid. 35. Siet ook der sonden quaad Vergeven, dog gehaat, Hier Vaderlyk gewroken, Wanneer zijn ziel die plag Verquikt te zijn daar lag Als in het graf gedoken 36. Zijn nederige deugt Klaagt gy, heeft ons verheugt, Hoe was hy tot een zeegen, 't Geen veel na-suchten doet? Het bleek dat 't teer gemoed Tot weldoen was genegen. 37. Zijn mannelijke hert, Niet licht door angst, of smert Gebogen bleef standvastig In Gods zaak, 's werelds list Heeft hem in haar vergist, Haar streelen viel hem lastig. 38. Lust tot gerechtigheid.

Was in hem uitgebreid, Het kon zijn ziel verwonde Als hy een ieder mensch Niet wist naar 's herten wensch Te richten t'allen stonde. 39. Gy zegt zijn kloek vernuft Bestuurde die versuft Door kommer raad versochten, Men sag hoe veel Gods beeld In Jesu zaad herteeld Op zijn gemoed vermochte. 40. Bescheide ommegang Met ieder na zijn rang Heeft in hem uitgeblonken, Gods Hoogheid was zyn schrik, Gods opper al beschik Was op zijn hert gesonken. 41. Hoe was hy wel vervuld Met Heilig ongeduld Wanneer hy in den afgrond Van zijn gebreken sag? Het was zijn naar gelag Dat hy van God verr' afstond. 42. Het werken sonder Geest Wat is het hem geweest Tot stof van bitterheden? Als hy zyn selven vond Het baarde hem terstond Tot droefheid nieuwe reden. 43. Hoe sag hy menigwerf Ter neder op 't verderf Van die sig Christ'nen noemen? En van Gods Geest ontset, Op 't buitenst' van de Wet, En op de letter roemen. 44. Hy sag (zijn ziel tot kruis)

Hoe God was uit zyn huis Geweken: hoe men trachte Het jammerlijk gestel Te dekken, en 't gezwel Op het licht te heelen dachte. 45. Maar zielen ach bedaar! En dees uw klachten spaar, 't Was in een vat van aarde Dat hy die dierb're schat Door vrye gunst besat: Myn heil gaf hem zijn waarde. 46. Dat Beeksken van myn goed Quam uit de volle vloed, Van myn genade stroomen, Wild gy uw lust versaen Komt tot den Oceaan Nu 't beeksk' u werd benomen. 47. Afgodisch Menschen Kind Hoe zijt gy steeds gezind U van my af te keeren, En tegens mijn bevel, Myn goeden Geest ten quel Met 't schepsel te hoereren. I V. RUSTE. 48. Maar treur'ge Christen schaar, 't Is tijd om Vander HAAR, Bevrijd uit al 't benouwen Te volgen Hemelwaards, Om hem verlost van 't aards Aandagtig te beschouwen. 49. Leer van hem uwen kroon Te werpen voor myn throon; En voor myn liefd' verslonden Te galmen overluid De Halelujahs uit Help hem myn lof verkonden.

50. Ach! zielen wistet gy Hoe vergenoegt dat hy Sig eeuwiglijk sal baden In 's levens zuiv're stroom, En aan des levens boom Zijn sterke lust versaden. 51. Gy schreeuwde naar die dag, Gy maakte steeds gewag Van 't Heil dat Sion nadert, Als 't volk in 's Vaders naam Bewaard voor eeuwig t'saam Sal wesen opgegadert. 52. Tree toe verblinde schaar, Al scheen u klacht seer naar, Dus kunt g'uw druk versoeten Door mijne goedigheid, Als g'in ootmoedigheid U neer set aan myn voeten.

SIONS LIEFHEBBERS. 53. Ach! Jesu komt ons voor, Ach! schenk een open oor, En doe ons tweemaal hooren Uw Goddelyke stem, Ach! geef u woorden klem Op 't hert, of 't is verlooren. 54. Doe ons dog Sions Heil Ter herten gaan, dewijl W'uw Koninglyke gangen Niet sien in 't Heiligdom, Doe ons amechtig om Den Bruidegom verlangen. 55 Gelukkig Sionijd Die nu de droeve tijd Gebruikt om steeds te wagten Op hem, wiens komst verhaast

Schoon hel en Wereld raast, En Babel spild zijn krachten. Cant. 8: v. 14. 56. Dog werd het ons gegunt, (Daar 't al dog op gemunt Is) vry van onse banden, En boeyen, 's Hemels kust Der Zaal'ger zielen rust Gelukkig te belanden. 57. 't Is goed hoe 't u belieft, Heer Jesus: ach! doorgrieft Ons hert met liefde schigten; Trek, trek ons naar u toe; Maak ons de wereld moe; Doe 't schepsel voor u zwichten. 58. Op dat w'als vander HAAR (Vry, onbevlekt, en klaar, Met lange en reine kleeren, Gewit in Jesus Bloed) Eens setten onsen voet In 't schoon Paleis des Heeren. 59. Ach1 ach! die daar eens quam, Daar volgt men steeds het Lam, Daar soekt men nooit zijn eigen, Daar 's 't ongeloof te niet, Geen sonde daar verdriet, Daar moet versoeking zwijgen. 60. Kom, kom, kom haastelik Apoc. 21: v. 20. Heer; want elk ogenblik Doen wy niet als 't bederven: Ach! Jesu mag het zijn, Dat dese Nagt verdwyn! Of doet ons met hem sterven. F.V.B.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtkundige ziele-zangen · Philippus Sorgen · Poetry Cove