Skip to content
1720

Dichtkundige ziele-zangen

Philippus Sorgen

Op de wyze van den 51. Psalm. I. Ik slaap soo vast mijn Ziel die leid als dood, En ik ontsie mijn oogen eens te wrijven, En komt ô God die slaaplust van my drijven, Al was het met een harde douw of stoot: Of trekt my met de beenen van dit Bed, Waar op ik ben soo sorgeloos gaan rusten, Of dondert met de vloeken van Uw' Wet, Tot dat ik eens verlaat mijn vuile lusten.

I I. Ik heb helaas het sluimeren soo lief, Ik lig en ronk en wentel in de zonden, Mijn schuld is meer als honderd duisend ponden, En nog soo slaap ik zonder quyting-brief. Ik weet dat schuldenaars geen rust en past, Zy moeten voor de stem des Eischers beven, Zy vreesen staag te worden aangetast, Dit vonnis leid al in haar hert geschreven. I I I. O Jonas hoord gy niet de felle wind Zoo bulderen, hoord gy de Zee niet woelen? Of zijt gy gansch beroofd van u gevoelen, Of zijt gy doof, of zijt gy steke-blind, Gy slaapt en snorkt in 't opperst' van de mast, Gy zijt gerust, en laat violen sorgen, Als waar daar niet een penning tot uw last, Of dat gy waard voor 's Regters oog verborgen. I V. O trage Ziel, soo zwaar als steen of lood, Staat op, soo sal de Morgenster u ligten, Staat op, en denk om uw versuimde pligten, Verlaat de slaap, de suster van de dood. O Ziele siet, hoe weinig tijds u rest, De Zuider Son die roept u om te werken, En soo gy niet verlaat uw' stinkend nest, Zoo doet gy erger als een hond of verken. P.V.S.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtkundige ziele-zangen · Philippus Sorgen · Poetry Cove