Aan de zich in het lezen oefenende kleinen, tusschen de zes en tien jaren.
Leest dit Boekje, lieve Kleinen!
Vreugde en hoop van uw geslacht!
Wichtjes, in wier vriend'lijke oogjes,
Onder zachte wenkbraauwboogjes,
Nog de reine zielenblijdschap
Der bekoorlijke onschuld lacht.
-
Leest dit Boekje; ziet … Gedichtjes
En Verhalen staan er in;
Komt… ontvangt het, waardste Panden!
Als een' Herfstbloem, uit mijn' handen;
Vroeger loof bekoorde uw hartjes
MOENS noemt Ge immers uw' Vriendin?
-
Ja… zoo noemen haar uw' lipjes,
En uw' zoete kozerij
Loont en kroont haar' kinderliefde;
't Leed, dat haar de borst ooit griefde,
Drijft, waar Ge om haar' treden huppelt,
Als een zomerwolk voorbij.
Zalig zijn mij de oogenblikken,
Dierb'ren! wen Gij op mijn' schoot,
Vrij, door weetlust aangeprikkeld,
Vragende uw verstand ontwikkelt.
Ach! dan vlugt elk treurig denkbeeld,
Als de nacht voor 't morgenrood.
-
Word ik door uw' blijde kusjes,
Voor dit Boekje ook weer beloond;
Zegt: - dit moet me een eerkrans blijven –
MOENS bedoelde ons nut in 't schrijven;
Zegt dit, wen Gij leest, of juichend,
Fraai gekleurde printjes toont.
-
Komt … ontvangt gij, dierb're Kleinen!
Dan dit Herfstbloempje, u gewijd.
Kroon, o G O D! kroon mijn bedoelen,
Doet aan 't kinderhart gevoelen,
Dat ons waar geluk gezaaid wordt
In des levens Lentetijd.