In den avond.
Zoude ik in het donker bang zijn?
Neen, ook in den middernacht,
Houden, op GODS wenk, voor kind'ren,
Vriend'lijke engeltjes de wacht.
_
De engeltjes, die altijd vrolijk,
Altijd goed zijn, dekken mij,
Als ik slaap, met zachte vleug'len;
Daarom ook ontwaak ik blij'.
_
Morgen, als de lieve zon weer
Helder in mijne oogjes blinkt,
En 't gezang der blijde vogels
Uit het loof der takken klinkt.
Lieve Moeder! o! dan zing ik
Immers weer dat kleine
LIED.
GOD! ook 't staamlend kindje dankt U,
Gij veracht mijn' toontjes niet.
_
Licht en duister geeft Ge ons liefd'rijk;
Rust verkwikt ons in den nacht;
Vrolijk wekt ons 't licht tot werken;
Met verjongde levenskracht.
_
GOD! ook 't kindje noemt U Vader.
'k Toon, daar Gij elk mensch bemint,
U mijn' liefde, door 't vertroosten,
Waar ik ooit bedroefden vind.
❁