Skip to content
1825

Herfstbloempje, voor de lieve jeugd

Petronella Moens

In den bloementuin Moederlief! – riep JAN, half schreijend, En, door gramschap, gloeijend rood – De anjers, pas nog opgebonden, Zie, zijn door mijn' bok verslonden; Al mijn' bloemen zijn bedorven. 'k Sla dien bok nu zeker dood. _

Lieve Jongen! – sprak de moeder – Hieldt gij dan uw' bok niet vast? 'k Zag daar straks nog u en JAANTJE Spelen in het lindenlaantje Met het vriend'lijk dier ….'t Schaadt nimmer, Als 't maar goed wordt opgepast. _

'k Hield hem aan een touw; wij liepen Naar den tuin – herneemt nu JAN – En terwijl wij daar nog bleven, Moeder! … zult gij 't mij vergeven? Zag ik zoo vele abrikozen, En ik plukte daar wat van. _ Al de rijpste gaf ik JAANTJE, De and're droeg ik, in mijn' hoed, Naar de bank, en bij die rozen Aten wij onze abrikozen; 'k Dacht niet aan den bok …Maar, Moeder! Zeg nu, hoe 'k hem straffen moet. _ Gij!gij! zoudt uw bokje straffen? – Zoo spreekt moeder – schaamt ge u niet? Kan 't onnooz'le dier dan weten, Dat het hier geen kruid mag eten? … Maar gij plukt en snoept ….. en weet het, Dat uw vader dit verbiedt. _

JANTJE weende, en al zijn' gramschap Keerde in ongeveinsd berouw. Neen, mijn bok heeft niets misdreven! Moeder! kunt gij 't mij vergeven? – Zegt hij – Ach! ik doe het nooit weer …. En JAN hield zijn woord getrouw. _

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Herfstbloempje, voor de lieve jeugd · Petronella Moens · Poetry Cove