Dit bevesticht eenen H. Abt in sijn doodt-bed door onder-vondenheydt: bevelende aen sijn Monicken het aendachtich lesen van dit crachtich gebedt, soo sy wel willen leven, en salichlijck sterven.
EEn treffelijcken Abt comt dit gebedt voleynden: Daer hy meer troost in vont als hy sijn leef-dagh meynden; Dat wirt hy best' gewaer in d'ure sijnder doodt, Als hy was inden strijt, en inden meesten noodt. Hy die droeg stạege sorg' van sijnen Crans te lesen: Als hy te sterven quam, gelijck dat eens moet wesen: Soo wird door Godes gunst verheven sijnen geest, Waer hy sagh voor Godts throon op hand' een bruylof feest. Sijn hert dat sondt daer naer met over groot verlangen: Wan 't viel hem in, dat Godt daer med' hem wou ontfangen;
Dat voor sijn weder-loon van all' sijn neersticheyt Gedaen in't Crans-gebedt, dees feest hem wiert bereyt, Hy, die had diep geweest in dit gepeys verslonden: Het wirt den selven dagh by waerheyt soo bevonden; Wanneer dat sijnen geest weer tot sijn selven was, Weet, datm' een traenen-vloet doen op sijn wangen las. Hy kon van groote vreucht sijn weenen niet bestieren; Sijn tranen vloeyden aen als waters der rivieren; En soo hem de Abdij de reden vraeghden af, Hy bleef langh spraeckeloos eer hy de antwoordt gaf. Want hy begon als voor, weer op een nieuw te suchten: Maer uyt geen anghst, of vrees, dan enckele ghenuchten; De blijschap, en de vreucht die over-liep hem't hert, En eer hy gaf sijn gheest, soo quamter noch te bert,
Van d'hemelsche genucht can ick geen oordeel strijcken: All' swerelts vreucht by een moet aen de minst' hier wijcken, Dat Paulus van dees vreucht heeft in het cort geseyt; Dat weet ick selver nu door ondervondentheyt. Beminde inden Heer: dats all' dat ick can seggen: Een saeck belast ick u, dit wel te over-leggen; Veel lichter ist bedacht, als naer den eysch verhaelt. Die wel leeft sijnen Crans wordt hondert werf betaelt. Daer mede quam de ziel uyt 'tlichaem te verscheyden; Niet eenen oogen-blick en moest die daer verbeyden; Soo sy voor Godt verscheen, hy hietse willecom, Met all' het Hemels heyr dat daer stondt rond' end' om. Wie soo Maria groet, sal daer het best by varen; Wie soo Maria groet, Godt sal hem 't meest bewaren;
Wie soo Maria groet wordt 't meest gebenedijt: Wie soo Maria groet, doet 't grootste ziel-profijt. Wie dan dees gunsten wilt van salicheyt genieten: Moet naer het Crans-gebedt als naer een doel-wit schieten; Soo ghy daer soo op let gelijck een schitter doet, Dees gunsten, dats gewis, krijght gy oock voor uw' moet. Maer soo ghy zijt verstroyt, en kunt het wit niet raken: Het Roosen-Crans gebedt moet ghy daerom niet staken: Men krijght hier altijt prijs: maer die raeckt in het wit, Die krijght een hoogher prijs, om dat hy netter schit.
Taix. addic. 27. sagastiza. lib. 6. c. 22. Alfonso Fernand. lib. 4. cap. 23. Thomas à Kempis sub nomine alterius serm, 23. od Novitios. Thomos Cantipratanus lib. 2. cap. 19. Alanus compend. cap. 15. Taix. 3. 6. 76. Maxin. mirac. 45. Taix addicac. 35. sagastiraval. l. 6. c. 54. Alon sern. l. 4.c. 27.
FINIS.
Cookies on Poetry Cove