Skip to content
1661

Gheesteliicken roosen-tuyl

Peeter Vloers

Dry schoone gheschiedenissen door de cracht van dese woorden: ende gebenedyt is de vrvcht us lichaems IESUS. Seer goet tegen alle aentochten van het Vleesch, ende opvallen vanden boosen Vyant.

DE cracht van dit gebedt gaen ick noch meer ontdecken; Dat tot aendachtigheyt sal menich mensch vervvecken;

A Kempis, eenen man, van wie dat werd geseyt, Dat m'uyt sijn oogen sagh een schijn van heyligheyt. Hy wirdt eens in sijn cell' met vleeschelijcke tochten; Van Venus, en haer kint seer dapper aen bevochten, Schoon dat hy besich was, en in sijn studie sat, Sy hebben niet te min hem heftich aen-gevat. Men seght, dat stage sorgh belet de quade lusten: Want sy geen tijt en vint om daer veel in te rusten; Maer wel een krillich lijf tot luyleyt uytgestreckt, Dat daer licht wort den brant van Venus in verweckt. Hy die staegh besich was, noch oyt leegh wert bevonden: Maer in sijn studie sat, of in't gebedt verslonden: Een man vermaert by Godt, de werelt onbekent, Kreegh doen een vuyl gepeys, dat hy niet was gewent.

Siet watter omme gaet in ons aelweerdich leven? Sijn groote deucht wert hier tot ondeucht aengedreven; Sijn stilte tot gewoel, sijn tucht tot geylen lust, Noch even-wel en wirt sijn ziel niet ongerust. Maer doen Cupido quam op't lest met meerder krachten, En brocht hem 'tlock-aes aen noch meer van vuyl gedachten, Doen hy voeld meerder vier, en wort gewaer meer vlam, Biedt, hy groot tegen-weir eer sy meer voedsel nam. Sijn suyver ziel gingh kloeck met suyver wapens vechten: Met dat het vleesch hier meynt veel wonders uyt te rechten; Maer naer een herde strijdt en naer een groot gewelt, Sijn reyn gemoet die sloegh Cupido uyt het velt. Hy seyd' tot sijnen geest, en tot sijn suyver sinnen, Ick moet in dit gevaer my sien te overwinnen;

thomas a kempis.

Hy staet op van sijn stoel, meynt uyt sijn cell' te gaen, En juyst had hy een beeldt van ons Lieu-Vrou daer staen. En eer hy noch bestond' sijn camer uyt te treden: Groet hy eerst ons Lieu-Vrou met Roosen-crans gebeden; Soo hy dees woorden sprack: Ende gebenedyt Uws Lichams is de vrvcht: wort by sijn opval quijt. Hy was des seer verblijt, hoe wel en deel verslagen; Wel docht hy, sijn soo licht dees felle donder-vlagen Van sulck' een herde strijt, en soo een vuyl gepeys Te drijven uyt mijn ziel, ick lees dat alle reys. Alst noch eens was te doen dat 'them scheen t'overvallen, Hy was niet meer in pijn, hy achtent niet met allen; Hy met dees woorden quam terstont weerom in't velt, En sijn hert wiert als voor, strax weer in rust gestelt.

Daer naer den boosen geest quam met sijn slimme treken; Hy docht, schoon dat voor hem Cupido is geweken, Dat raeckt my niet met all': ick met een ander tocht, Koom hem aen boort, en sien hem haest te neer gebrocht, Hy heeft snachts in sijn slaep een leelijck spoock gekregen, Die hem tot grooter plicht noch meynden te bewegen; Hy wasser van verschrickt: en om die te ontgaen, Hy steldent op de vlucht, en op een loopen aen. Hy tot sijn onheyl comt in eenen poel te vallen Vol modder, en vol slijck, het erchsten noch van allen: Den duyvel flux hem naer: dis wirt hy meer ontstelt, Want niet een acker-man en was by nacht in't velt. Soo dat hem niet een mensch tot bystant konde wesen: Maer, met dat hy bestont dees woorden weer te lesen,

Gebenedyt moet sijn Maria uwe vrvcht, Gelijck een blixem vier den dvyvel nam de vlucht. Hy vont sich uyt het slijck, en uyt den poel getogen. Hy twijfelt of sijn oogh daer niet was in bedrogen: Hy sagh al om end' om, nu hier, nu vveerom daer, Maer hy vont op het lest, dat niet vvas dan te vvaer. Toen seyd hy: Godt heb lof, voor nu, end't alle tijden: Kan my dit cort gebedt soo lichtelijck bevrijden, Van alle anghst, en vrees, van groote schrick en pijn, Dit is de leste reys van meer vervaert te sijn. Al sagh ick eenen tocht van nachtgespoock nu comen: Ick sal, als onbevreest, daer tegen my vervromen; Hy gaf met allen vlijt sijn Cransken eenen soen, Hy seyd: ick heb voort-aen u maer alleen van doen.

Kunt ghy het dertel vleesch soo door u kracht bedaren, Oock aen de jonge jeucht, in't groenste van haer jaren: Jck seght tot duyvels smaet, en tot Cupidos spijt. V bystant heeft m' alleen uyt all' gevaer bevrijt. Een dingen jammert my! dat menich hondert menschen Hier noch niet in en sijn, hierom noch niet en vvenschen; Maer datme niet en vveet, of datme niet en kent, Daer gaetme niet nae toe, daer comtme niet ontrent. Dat jemants yver quam, sijn tijt hier in besteden, En brocht in't openbaer de cracht van dees gebeden; Waert dat hem salich vvaer, ick vvensten hem voorvvaer Uyt gront van mijnder hert te leven hondert jaer. Die zeden-meester vvas toen vande Proevelingen, Heeft haer in een vermaen verhaelt dees vvonder dingen:

Hoe dit een Religieus vvas sekerlijck geschiet, Maer van sijn eygen self en melden hy hun niet. Sijn grooten yver-sucht heeft my dan aengedreven, Dat ick de groote kracht besonder heb beschreven Van't Roosen-Crans gebedt, als ghy-lie hebt verstaen, En noch meer hooren sult, vvant ick noch voorder gaen. Dit Roosjen al ist fraey, en schijnt het fraeyst van allen: Dat hier naer volght, sal u noch alsoo vvel bevallen; Het is van een couleur, en van den selven pluck, Wie soo Maria groet vveirt alle ongeluck.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gheesteliicken roosen-tuyl · Peeter Vloers · Poetry Cove