Vierde zang.
Natuur, steeds gul in haare gaaven,
Brengt reeds het eerste stuk aan 't rypen.
De ryen staan nu dicht gesloten,
En dulden verder geen houweelen.
De rieten, door den wind geslingerd,
Beginnen door elkaêr te vallen,
Na 't tydverloop van zestien maanden,
En toonen niet dan geele kleuren:
Dat is het teeken van de rypheid;
Want all' wat ryp is valt toch lichtlyk.
De timmerliên en metzelaaren
Beginnen ook hunne arbeidstuigen
Alreede by elkaêr te zoeken.
De landman woont reeds in zyn woning,
In zyn vernoegde landmans woning,
Van kostlyk hout te saam' getimmerd,
En geeft het afscheid aan de baazen: