Skip to content
1804

Surinaamsche mengelpoëzy

Paul François Roos

Vierde zang.

Natuur, steeds gul in haare gaaven, Brengt reeds het eerste stuk aan 't rypen. De ryen staan nu dicht gesloten, En dulden verder geen houweelen. De rieten, door den wind geslingerd, Beginnen door elkaêr te vallen, Na 't tydverloop van zestien maanden, En toonen niet dan geele kleuren: Dat is het teeken van de rypheid;

Want all' wat ryp is valt toch lichtlyk. De timmerliên en metzelaaren Beginnen ook hunne arbeidstuigen Alreede by elkaêr te zoeken. De landman woont reeds in zyn woning, In zyn vernoegde landmans woning, Van kostlyk hout te saam' getimmerd, En geeft het afscheid aan de baazen:

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.