Skip to content
1804

Surinaamsche mengelpoëzy

Paul François Roos

Tweede zang.

De landman, die, vol lust en yver, Den tyd met goud weet op te weegen, Kapt nu een plaats in 't voorland open, En steekt een sluisgat af met stokken.

Intusschen dat dit word gedolven, Zien wy slaavinnen steenen draagen; Wy zien een' Neger 't halfdak maaken, Om kalk en om ciment te bergen. Ziet eens! de kleine jongens helpen, En vechten onder 't vaten rollen: Zo leert men hen al speelend werken. Ginds maakt een Neger houten bakken, Om door 't ciment de kalk te kneeden. Het gat is klaar: 't is net en zindlyk; Het, ziet 'er uit gelyk een kelder; 't Loopt af met agt of negen trappen: Nu geeft het werk voor blanke baazen. De timmerman, voorzien van slaaven, Weet knap, met balken, en met planken, Den grondslag voor de sluis te leggen; Waarop de metzlaar, met zyn Negers, Aan 't werk tyt om de sluis te metzlen. Fluks hooren wy 't geklikklak klinken Der troffels op de graauwe steenen. Nu is een ieder aan het werken: De timmerman klaart as en raden,

De sluisdeur en een deur in voortaad, Zo ook de vleugels vóór en áchter: Dus ziet men 't sluiswerk daaglyks vordren. Het oog des meesters houd hier toezigt. Op morgen gaat men reeds aan 't voegen. Ziet eens, hoe fraai zyn die pylasters, Met netgeslepen graauwe moppen, Aan beide koppen opgemetzeld! Dekt nu, dekt nu de sluis met planken, Wyl licht, door heete zonnestraalen, De metzelwerken zouden barsten. Nu, na verloop van veertien dagen, Zien wy, al zagtjes, 't sluisgat vullen, Aan beide zyden van de muuren. Beschouwt den landman, hoe voorzigtig Hy dit weet, om de twee, drie dagen, Te vullen, tot het kant en klaar is. Daar opent hy de beide dammen, En zet voor 't eerst de sluisdeur open, Waardoor het opgestopte water, Het, door het stilstaan, stinkend water, Vast uitloopt in den schoot der kreeken,

Of in den boezem der rivieren. Tot dus verr' hadden nog de slaaven In dobberende waterdaken Gelegerd, en de nyvre landman Had, met het tweetal blanke baazen, Gewoond, op 't water, in een' tentboot, Of was gehuisvest by een' buurman. Maar nu laat hy een huisje maaken Van pienen en van palisaaden, Dat zo lang moet tot noodhulp dienen Voor hem en voor de blanke baazen; Ook bouwt by hutten voor de slaaven: Dan woont de landman op zyn' aanleg.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.