Eerste zang.
Tracht men om, in vruchtbaare oorden, Suikerstaaten aan te leggen, By rivieren of by kreeken, De ondervinding leert den planter Om een' kleigrond uit te kiezen. 't Voegt ons op 't saisoen te passen; Zeker, de oogstmaand is 't bekwaamste Om den aanleg te beginnen, Wyl alsdan de regenbuijen Zwichten voor de drooge tyden, Die, door middagzonneschynen, Natte bosschen gangbaar maaken, En bereiden tot het vallen Van de hemelhooge ceders, En van andre trotsche kruinen. Dan is 't tyd het land te meeten, In het vierkant af te steeken, En een' overslag te maaken, Hoe veel lands men kan bewerken,
Evenredig naar de veelheid Van de grofgeknuiste slaaven. Eerst getracht de kreupelbosschen Door den houwer neêr te vellen, En te lakken op het aardryk, Om dus beter' weg te baanen Voor de scherpgewette bylen, Die, door sterkgespierde vuisten, Woeden op de dikke boomen. Hoort eens, hoe de bylen knallen! Hoort, hoe de echo nabaauwt knallen! Voelt, voelt eens het aardryk dreunen, Door den val van deeze boomen; Ziet, hoe gindsche boom, in 't slorten, Twee, drie andren neêr doet ploffen; Hoort eens, hoe de Negers zingen, Hoe vernoegd de Negers zingen, Op de knalmaat van de bylen, Die men nu nog eens moet scherpen, Om de takken af te klieven, Die zy op het aardryk plat slaan. Daar ligt nu het bosch ter neder!
Thans is 't tyd van slokken steeken Voor de nieuwe poldertrenssen, Voor de loossloot en voor trekkers: Dees gestoken, dan ten eersten Haalt men 't rulle veen ter zyde, In het stuk of op de dammen: Daar ligt nu de kleigrond open, Keurig blaauw en los in 't werken. Scherpt den schop, 't is tyd van delven. Fiksche Negers! spant uw krachten; Speelt nu met uwe yzren schoppen, In de ruime molenslooten, In de nieuw te maaken trenssen, Die, door toezigt van den landman, Juist van breedte, juist van diepte, Net van kant gedolven worden. Springt thans over tot de trekkers, Tot de kleine lozinggruppels, Fiksche Negers! spant uw krachten; Haast u, eer de zonnestraalen 't Zwarte veen te droog doen worden, Daar is 't stuk rondom bedolven,
En het water vind zyn lozing In de nieuwgedolven trenssen. Wyl de heete zonneglanssen, In dees drooge jaargetyden, Van den keerkring afgeweken, Ons met dubble kracht beschynen, Ziet men spoedig tak en boomen Vatbaar worden voor de vlammen: Dit bepaalt den tyd van branden. Ziet, de noeste, nyvre slaaven Neemen lange palisaaden, Die, door haare dunne vezels, Vol van harst, als kaarssen branden, Om de takken en de boomen, Van den wind af, aan te steeken: Straks is alles aangestoken. Phoebus, door de sterke dampen, Word als bleek voor ieders oogen. Ziet konynen uit hun holen Vlugten, door den rook gedreven! Ziet, hoe ginds een schildpad, sleepend', Naauw' de vlammen is ontworsteld;
Ziet, de slangen kruipen, springen; Hagedissen, torren, mieren, Alles zoekt den dood te ontvlugten! Hoort, de Negers, op hun hoorens, Geeven leuzen aan elkander, Om te weeten of de vlammen Somtyds al te hevig woeden, En het veen des gronds verteeren. Dit zo zynde, staan en slaaven En slaavinnen, met hun goddes, Klaar om water aan te draagen Uit de nieuwe poldertrenssen; Doch de noeste, nyvre landman Weet op tyd en weêr te passen Om dit onheil voor te komen.
Cookies on Poetry Cove