Zesde zang.
De landman zit nu t'huis niet ledig:
Nooit zit de nyvre landman ledig;
Hy zorgt thans voor den grootschen molen;
Hy potloot kam- en bonkelraden;
Hy smeert den hals van 't breede scheprad;
Hy let of wel de nooddeur klaar is,
En of de gooten, die de lekker,
Al gudsend, naar het kookhuis leiden,
Wel schoon zyn, of de ruime cisser
Gereed is om het sap te vangen,
Of alle ketels helder blinken,
Of wel de schuimspaan en de lepels
Op hunne plaatsen kant en klaar staan.
Hy zet in voorraad nieuwe vaten
Op dikgebalkte barbekotten,
Die, door hunne afgedeelde gooten,
Malassie naar de bakken leiden.
't Is alles thans geschikt in orde.