Skip to content
1804

Surinaamsche mengelpoëzy

Paul François Roos

Zesde zang.

De landman zit nu t'huis niet ledig: Nooit zit de nyvre landman ledig; Hy zorgt thans voor den grootschen molen; Hy potloot kam- en bonkelraden; Hy smeert den hals van 't breede scheprad; Hy let of wel de nooddeur klaar is,

En of de gooten, die de lekker, Al gudsend, naar het kookhuis leiden, Wel schoon zyn, of de ruime cisser Gereed is om het sap te vangen, Of alle ketels helder blinken, Of wel de schuimspaan en de lepels Op hunne plaatsen kant en klaar staan. Hy zet in voorraad nieuwe vaten Op dikgebalkte barbekotten, Die, door hunne afgedeelde gooten, Malassie naar de bakken leiden. 't Is alles thans geschikt in orde.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.