Skip to content
1804

Surinaamsche mengelpoëzy

Paul François Roos

Negende zang.

Het eerste stuk is afgemalen, Dus gaat men aan het toppen zaamlen; Men bind ze vast by kleine bosschen, En legt die hoopswyze op de dammen. Nu wacht men naar een' droogen morgen, En laat de vlam het stuk doorloopen, Die vreeslyk door de drooge blaêren (By ons het tras) geraakt aan 't woeden: Dit doet men opdat niet de wormen Den afgekapten stoel doorknaagen. Dan dekt men weêr den stoed met aarde, En, na verloop van veertien dagen, Komt reeds de tweede krop te voorschyn.

De landman let nu of 'er stoelen Gestorven zyn, en laat hun plaatsen Weêr: vullen met de nieuwe toppen, En met de verdre nieuwe toppen Beplant hy weder andre stukken: Zo word zyn staat allengskens grooter.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.