Derde zang.
Nu plant men teijers en banannen, Cassave, naapjes, jammes, koren; Intusschen valt men andre stukken; Men delft den trens voor waterberging. De blanke baazen zyn aan 't maaken Van de inneemsluis en van den molen,
Van 't kookhuis, van het dramsteilhuisje, En van de woning voor den landman, Alsmede van de keentraslootsen. De landman yvert ondertusschen Om de eerste stukken klaaar te maaken, Ter suikerplanting klaar te maaken, Nadat de geilheid uit de landen, Door kost, geheel is uitgetrokken, Hy leent de toppen van zyn' buurman, En weet die in 't verband te planten, Bedekkende elken top met aarde. Na: vyf-en-twintig zonneschynen, Ontdekt men reeds de jonge spruiten, In juistgeschaarde lange ryen. Dit zoet gezigt bezielt den landman Met nieuwen lust en hoop en yver. Het land voldoet aan zyn verwachting; Het land voldoet met nieuwe spruiten; 't Staat dicht, gelyk de gulle graanen, By liefelyke zomerdagen. Zo blyft het vyf, zes weeken groeijen, Wanneer de landman, door de slaven,
De stoelen laat met aard' bedekken, En 't geile gras 'er uit laat wieden. Nu, na 't verloop van vyf, zes maanden, Begint men om het riet te trassen, Om 't drooge blad 'er af te haalen, Ten einde 't beter op zal schieten; Dit moet men op zyn' tyd herhaalen, En 't zuiveren van gras en onkruid. Intusschen plant men andre slukken, En doet daarin dezelfde werken.
Cookies on Poetry Cove