Agtste zang.
De suikerkookers staan nu vaardig, En letten of de cisser vol is.
Daar leiden zy de zoete lekker Door gooten naar de groote ketels; De vuuren worden aangestoken, Van buiten onder aangestoken; De vlam loeit door den hoogen schoorsteen, En voert een wolk van rook naar boven. Nu werpt de kooker een hoeveelheid Van ongebluste kalk ten ketel, Tot de bevordering der grynen. De ketels raaken aan het kooken; Daar staan zy schuimende te kooken; Het vuilnis welt naar de oppervlakte, Zo dat de kookers, met de spaanen, Zulks handig weeten af te schuimen, Terwyl dit schuim, door lange gooten, Geleid word naar het dramsteilhuisje, Waar 't in en' bak word opgevangen. Het sap begint nu te verkooken: Dit weet men ras weêr aan te vullen; Men schept van d'een in d'andren ketel, En ledigt dus den grooten ketel, Die daadelyk met nieuwe lekker
Gevuld word uit den vollen cisser. De lekker, in den kleinsten ketel, Begint allengkens vol te worden: Dit ziet men aan het kookend pruttlen. Pas op! pas op! 't begint te zakken. Scheid uit, daar buiten, met het stooken! 't. Is tyd, 't is tyd, den testDe test is doorgaands de vierde en laatste ketel, waarin de suiker haare gaarheid bekoomt: den test trekken is dus zo veel als de gaare suiker uit den ketel neemen. te trekken: Dit trekken doet men somtyds hooger, Op andre tyden weder laager, Al naar de landen gul of schraal zyn. Men schept de suiker in den trekbak, Van daar weêr in een' grooter' koelbak, 't Geen word herhaald tot drie, vier maalen, Totdat die koelbak boordevol is. Hierin begint het vocht te stollen, En, na een uur of tien vertoevens, Word dit gestort in leêge vaten, Voorzien elk met een gat van onder, Waarin een keenslok overeind' staat: Dit dient tot lozing der malassie.
Men vult het vat tot op twee derden, Des andren daags de derde derde, En, na verloop van zes paar dagen, Dan dient men 't vat nog eens te vullen, Met drooge suiker op te vullen, Om 't voorts behoorlyk af te scheepen.
Cookies on Poetry Cove