LXXXIX.
Zijn oog is opgesperd, zijn mond gaapt wijder dan
Een kostschooljongen voor een biefstuk gapen kan!
Zijn adem stokt, zijn pols houdt halt, zijn edel wezen
Is gansch verbouwereerd: die brief heeft hem belezen.
Zeg, is die man verstomd, verplet door vreugd of rouw?
Dat weten wij nog niet! of liever gij! maar 't zou
Te wreed zijn, zoo 'k nog lang thans met uw aandacht spelend,
Bleef draaien om hem heen.... 't Werd ook bepaald vervelend!