CXIV.
Heb ik nu lang genoeg met dezen dwaas gespot,
De zoute scherts bekroon, zoo 't mag, een gulden slot!
Want, schoon ik nimmermeer met 's werelds schijn zal dwepen,
Toch, vrienden, word ik liefst ook niet verkeerd begrepen;
Dus luistert, eer gij licht den armen dichter vloekt,
Die voor zijn ergernis bij u verluchting zoekt,
Die graag aan zotten geeft wat zotten is verschuldigd,
Maar naast de waarheid liefst de ware grootheid huldigt.