XCVI.
De groote kommandeur zijgt in een armstoel neêr,
Hij was kapot van zooveel vreugde, zooveel eer,
En met zijn dier kleinood nog beter in zijn nopjes
Dan met hun suikergoed mijn blonde kinderkopjes!
Ik kan met dezen Leeuw nu doen al-wat ik wil,
Zijn rijkdom maakt hem zacht, zoetsappig, lief en stil,
Hij laat zich eindloos, als een lam, feliciteeren....
Ik wil oprechter zijn - ik zal hem kondoleeren.