XXIX.
Maar 't uur der liefde naakt en 't eind der liefdeweeën!
De toren zingt het lied der minne: kwart voor tweeën!
Hij spoort zijn ros, hij vliegt: o toef mij, zoete Bruid!
Mee galoppeert zijn hart en bonst en jaagt zoo luid,
Als - 't hart der jongelui, die na hun staatsexamen,
Den uitslag wachten van dat kannibaalsch tentamen!