I.
Wie heeft daar ooren voor een dwaas, ondeugend lied?
Wien belgt een losse scherts en ronde waarheid niet?
Wie laat mij vrijheid om te zeggen en te zingen
Al wat ik hoorde en zag, al zijn het vreemde dingen! -
Dat zal wel mettertijd verandren, menschen! maar
Ik wil niet veinzen voor mijn drie-en-twintigst jaar. -
Wie kijkt de wereld in met onbenevelde oogen
En wordt niet graag door schijn, hoe deftig ook, bedrogen!