LXXV.
Die taal deed niet alleen het jonge volkje goed,
Maar ook het vaderlijk en ridderlijk gemoed.
Intusschen, hoorders, daar de liefelijkste zaken -
Helaas, mijn jonkheid ook! - eens aan haar einde raken,
Het grabblen is gedaan en de onuitputbre bron,
De groene reiszak vol van zoetheên en bonbon,
Is eindelijk leêggestroomd. Toch zie 'k de kindren smachten
En kijken - of ze nog een kleinigheid verwachten.