XCIV.
De Held staart in het rond met kalme majesteit,
En ieder is, als gij, op alles voorbereid.
Eén oogenblik, nog éen en - 't doosjen is ontsloten....
‘Hè!’ roept uit éenen mond de kring der huisgenooten,
‘Hè!’ roept de Bisschop en blijft stomverwonderd staan;
‘Hè!’ valt de Ridder in en valt op 't doosjen aan....
En o, voor mij, die weet wat ieder ‘hè’ beteekent,
Zijn, hoorders, al die ‘hè's’ hartbrekend en welsprekend.