XVIII.
Hij worstelt wel een poos nog met zijn beetren Engel,
Als met den frisschen wind een reeds geknakte stengel;
Maar eindlijk buigt hij 't hoofd en neemt een kloek besluit,
En zweert voor eeuwig, aan de voeten van zijn bruid,
Zijn wilde dwaasheid af, zijn grillen en zijn snorren,
En gaat voor haar zich als een schoolknaap doen beknorren.