XLI.
Het is een meisje zoo charmant en zoo pikant,
Zoo allerliefst lief en zoo gloeiend amusant,
Dat ik ('t is nu misschien een jaar twee, drie geleden,
En sinds dien tijd aanbad ik andre lieflijkheden!)
Dat ik soms dagen lang en menig langen nacht,
Dat vraagstuk der natuur, dat raadsel overdacht
En peinsde, als Bogaers in zijn onvergeetlijk ‘Truitje’:
Hoe drommel! kwam zoo'n aap aan zulk een geestig spruitje?