XXXIX.
Het meisje, dat wij juist ‘maar, Vader..’ hoorden zeggen,
Gaf nú een wenk om stil den brief maar neer te leggen
Op tafel: onze Vriend, niet gansch op zijn gemak,
Toog weer naar 't raam en stond, de handen in den zak,
En zweeg en zuchtte en blies. Straks eensklaps opgestoven,
Vloog hij de deur uit en de trappen langs naar boven.