XXIII.
Hij was een gril met vleesch en been, vol geest en gratie,
En onweerstaanbaar in steeds versche konversatie;
Een ziel vol liefde en haat, vol schimp en fantazie,
Vol dissonanten en vol zuivre harmonie;
En daar 'k zijn waren naam u liever wil verbloemen,
Zoo lust het mij den knaap Fantasio te noemen.