LXIX.
'k Voorspel dat uit dien knaap een braaf, fatsoenlijk man
Zal groeien, een die juist zijn voordeel vatten kan,
Maar nooit zijn goeden naam te grabbelen zal gooien....
Die, met verstand, gelaat en houding weet te plooien,
En eenmaal in den zak der groote maatschappij
Zal tasten, met beleid, heel netjes en... heel vrij!
Die.... maar wat druk gejoel en opgewonden zangen,
Die daar op eens 't verhoor der lieve jeugd vervangen? -