IV.
'k Maak mij niet knorrig als ze in al te wilden ijver,
Den bal terug slaat in de sparren, in den vijver;
Maar niets zoo prettig, dan wanneer, zoo knap als vlug,
Uw opgekaatste bal de lucht klieft en, terug
Geslagen door een hand zoo vast als blank en teeder,
Wel honderd malen vliegt geregeld heen en weder.