XII.
Ja, Kinderheilige, nog neemt mijn hart u aan!
En had de wereld slechts wat beter u verstaan,
Uw geest van weldoen en van liefde meer begrepen,
'k Zou met uw naamdag nog geruster kunnen dwepen.
Want, lieve hoorders, is 't niet kannibaalsch en wreed,
Dat men op zulk een feest het hongrig volk vergeet,
Dat met een zieklijk oog koomt op úw lekkers azen,
En met zijn bleeken neus kleeft aan de winkelglazen?