Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

eerste zang.

I.

Houdt gij van boston, whist, van hombre of quadrilleeren? Kunt gij een halven dag verdoen met domineeren? Houdt gij van kegelen, van kolfspel of biljart, Roulette, rouge ou noir? Hing ooit uw pooplend hart Aan rood of zwart, aan steen of kaart, aan pointe of ballen? Zoo ja, - dan zoudt gij mij verschriklijk tegenvallen.

II.

Ik weet niet hoe u één dier spelen kan vermaken; Mij trekt het groene veld meer dan het groene laken, De roode rozen meer dan ruite- of harte-troef; Mijn hart is voor verlies en winst als waterproef; Daar is maar één spel, dat mij hartstocht is en weelde, Daar 'k alles voor laat staan en dat mij nooit verveelde.

III.

't Is kinderachtig, haast belachlijk, maar onschuldig! Hebbe eerbied voor mijn zwak, wie jeugd en gratie huldig'! Raketten is mijn lust! 'k zie graag in de open lucht Die witte veders in haar sierelijke vlucht; 'k Mag graag den lichten bal, met opgewonden slagen, In 't dichtgelokte blond der lieve Partner jagen!

IV.

'k Maak mij niet knorrig als ze in al te wilden ijver, Den bal terug slaat in de sparren, in den vijver; Maar niets zoo prettig, dan wanneer, zoo knap als vlug, Uw opgekaatste bal de lucht klieft en, terug Geslagen door een hand zoo vast als blank en teeder, Wel honderd malen vliegt geregeld heen en weder.

V.

En daarom lust het mij - gij ziet, mijn lieve Heeren, Dat ik mij meestal door mijn lusten laat regeeren, - En daarom lust het mij, met opgetogen oog Die wilde ballen die, als pijlen van een boog, Ginds over 't groen terras vóór 't prachtig Buiten vlieden, En licht nog meer 't gelaat der spelers, te bespieden.

VI.

En waarom zou ik niet een oogenblik verpoozen, Hier voor het sierlijk hek, omwingerd al met rozen En kamperfoelie? Wel, 't is warm en zomer, 't is Een derde Junidag, - wanneer 'k mij niet vergis - Ik ben nieuwsgierig en geen tochtje kan mij deren, Dus laat mij naar mijn lust bespiên en fantazeeren.

VII.

Ginds ligt het witte Huis in donker groen verborgen: 'k Zou van den zomer graag een week vier, vijf, mijn zorgen Daar gaan vergeten! 't ligt zoo vreedzaam en zoo blij. ‘Hier is men jong, tevreên, gelukkig, buiten, vrij,’ Zoo ruischt mij 't windje door de slanke populieren En breede linden, die rondom het plein versieren.

VIII.

En 't windje weet het wel! het mengt zich in de kreten, Die stijgen van 't terras, die van geen zorgen weten! 't Is alles lach en scherts, muziek in 't luistrend oor, 't Is leven, vrijheid, jeugd, één kunstloos vreugdekoor! Dáár bij den vijver drinkt men thee in 't rieten tentje - En, zoo ik teeknen kon, ik maakte u hier een prentje!

IX.

Doch waar' mij 't keurpenseel van d' Italjaan gegeven, Vast zou 't Madonnahoofd, op brandend doek, herleven Der Schoone, die zich ginds bij 't opslaan overbuigt, Nog schooner dan de blik des schalken knaaps getuigt, Die juist op 't oogenblik verward heeft mis geslagen, Als of zijn oogen iets bijzonder lieflijks zagen....

X.

Rein is de blauwe lucht, maar reiner zijn haar oogen, En blauw als 't blauwe gaas, door iedren tocht bewogen, Dat om haar leden golft, zoo schoon bij 't lokkig haar, Blond als in d' ochtendgloed de gouden korenaar; - Zoo niet haar schalke lach u moed gaf en vertrouwen, Zoudt ge op een afstand slechts het wagen haar te aanschouwen!

XI.

Ze is jong als de engel Gods, schoon als een bloeiend Eden, Rank - als een droombeeld uit een dichterlijk verleden, Bekoorlijk - als een vrouw, die gij te laat ontmoet In 't leven, die wellicht uw lijden had verzoet, En, zoo ik 't wel versta, bij zooveel andre kreten, Moet zij Maria, of Marie, of Mary heeten!

XII.

Marie! geen reiner naam trilde ooit op dichtersnaren! Een naam, dien 'k liefheb, sinds mijn eerste kinderjaren, De schoonste, die daar ooit van 's hemels bergen viel, Als honing voor den mond en balsem voor de ziel; Een naam, geschapen uit den lach der engelkoren, Om eens der schoonste vrouw, der reinste toe te hooren.

XIII.

Ave Maria! ruischt door de aardsche doodsvalleien, Ave Maria! klinkt door 's hemels psalmenreien, Ave Maria! lispt de dwepende natuur, In 't uur der Liefde en der Gebeden - 't schemeruur! Als langs het koele strand en door de frissche dreven, Verliefde schimmen van Weleer en Toekomst zweven....

XIV.

Mijn trouwe Hoorders, ik beging hier plagiaten, Één van Barbier, één van Lord Byron - wie kan 't laten? De ideën waren mooi, ze dwaalden in mijn hoofd, En dwaas hij, die nog aan oorspronklijkheid gelooft! De mooíste verzen zijn van anderen gestolen; Vertrouwt de knaapjes niet, die graag in 't donker dolen!

XV.

'k Belijd u graag mijn schuld, al ware 't op mijn knieë, - Maar 'k heb een passie voor dien eernaam van Marië! Niet wijl die naam om 't hoofd der uitverkoorne' glanst, Of, als een leliekroon, een eerste liefde omkranst, - Och neen, die reden waar' te maanziek en te eenzijdig, Ik min dien naam en ben op dat punt onpartijdig.

XVI.

Welluídend is zijn klank! wat dichterlijke stralen Doet hij op 't blonde hoofd van 't lieve schepsel dalen! Wel was zij schoon - maar ook 't bedorven kind van 't Huis, Een ieders lief en leed, haar Moeders kroon en - kruis! En sinds die jonker van daareven haar het hof maakt, Geloof ik dat haar niets dan enkel zoete lof smaakt.

XVII.

En wie was Hij, die 't hart der fiere maagd bekoorde? Zij, die zich nooit voorheen aan bleeke wangen stoorde! Zoo rijk aan minnaars als aan walzers op een bal, Die al de jonkers in den omtrek hield voor mal, En al de vrijers die haar huldigden, voor dezen, De gunst slechts... van hen uit te lachen, had bewezen.

XVIII.

Hij - 't spreekt van zelf - was jong en schoon en zeer bijzonder, In 't oog van 't lieve kind, zoo half en half, een wonder. Een lastige logé, maar die altijd zijn zin In alles daadlijk kreeg. Hij pakte harten in, Zoo vlug als iemand die zijn linnen, vesten, frakken, Op reis met voeten in zijn koffers pleegt te pakken!

XIX.

Daar voor het tegendeel niet de allerminste grond is, Beweer ik dat hij even bruin als de andre blond is. En als haar kopje zich naar 't zijne buigt, o zie! Dan lijken ze op die plaat van Night and Morning, die Gij mogelijk wel eens gezien hebt in uw leven, En die gij, zoo ge wilt, aan mij cadeau moogt geven.

XX.

Hij was bizaar, vol wilde en romaneske vlagen, En geestig als - de Gids... in lang vervlogen dagen, Eer in zijn hart, verflauwd voor Letteren en Kunst, Hebreeuwsch en politiek, ach, stegen in de gunst, Eer hij professor werd, vervelend en geleerde, Geen lieve meid meer groette en eeuwig door studeerde!

XXI.

Ja, jolig als de Gids, toen hij een jong student was, Een schrikbre Groenenplaag, een duchtig malle vent was! Een fatje in 't aadlijk blauw gedost, en fijn van huid, Een ‘blauwe Beul’ temet; een geniale Guit! Een rijzweep in de hand en sporen aan de laarzen, Verklaarde vijand van veel proza en veel verzen!

XXII.

O Gids! - dit en passant - van waar zoo duf en deftig? Waar bleef uw jonge jeugd, zoo bruisend en zoo heftig, Vol spes, vol vuur en vol genie! Zeg kreeg je een kwaal, Of is 't nu zooals 't hoort, beleefd, professoraal? Ampart je deftigheid! één sprongetje, uit je toga! Trakteer je vrinden weer op zoeten wijn en Noga!

XXIII.

Hij was een gril met vleesch en been, vol geest en gratie, En onweerstaanbaar in steeds versche konversatie; Een ziel vol liefde en haat, vol schimp en fantazie, Vol dissonanten en vol zuivre harmonie; En daar 'k zijn waren naam u liever wil verbloemen, Zoo lust het mij den knaap Fantasio te noemen.

XXIV.

Hij had de wereld vroeg gekend, haar weelde en zorgen Veel ernst en diepte en smart lag in zijn ziel verborgen; Hij was ontwikkeld en bedorven door lektuur, Een Ridder in zijn vorm, een Dichter van natuur, Kortom een intressant, een schoon en schittrend wezen, Die reeds op moeders knie Lord Byron had gelezen!

XXV.

Lord Byron!... o wat knaap, die zijn gekrulde haren, Wild als de wildheid van zijn zestien, achttien jaren, Ooit sierlijk golven leit op d' avondwind in 't woud, Wiens oogblik heerschen kon, wiens harte, vrij en stout, Zich blindlings overgaf aan de Eerzucht, kind der Weelde, Wien ooit het algemeene en 't Daaglijksch Brood verveelde;

XXVI.

Wie, dien uw starre blik niet diep in 't harte schokte, Uw jonge wanhoop niet verteederde en verlokte, Uw Grieksche lauwer niet misleid heeft en verrukt, Schoon met den doorn der Pijn, in 't bleek gelaat gedrukt? Wie had de Tering niet, die u de ziel doorgriefde? Wie had de Mary niet, op wie zijn Jeugd verliefde?

XXVII.

Maar Childe Harold, zoo ik eens in u geloofde, Als Eva in de slang, die 't Eden haar ontroofde; Zoo 'k eens, op uw gezag, het leven heb geteld Geringer dan het stof, mijn verzen of mijn geld; Zoo 'k immer dweepte, met een ingebeelde smarte, De menschen haten dorst, de halve wereld tartte....

XXVIII.

O sinds ik eenmaal, toen 'k van kiespijn half creveerde, Mijn eigen ideaal, uit wrevel, dissekeerde, Held van mijn zwarten Tijd! wat bleef, wat werd er van? Hoe leek mijn Lucifer een spleenzieke Engelschman!... Het martlaarskroontje gleê geleidlijk van mijn lokken, En 'k was aan de' invloed van mijn boozen geest onttrokken.

XXIX.

Uw trotschen Meestertoon verbaasd gelijk te geven, U half te aanbidden, 't is een faze in 't jonglingsleven; De knaap, hij buigt niet graag voor 't koel, gezond verstand; 't Zijn maar drie woorden, om te zeggen: 'k Heb het Land! Goed staat het, als een snor, op 't Leven wat te vloeken, In alles Bitterheid en Ridikuul te zoeken....

XXX.

Maar met een kalm gelaat, vergevende en tevreden De wereld, als de school des Levens, in te treden; Den Mensch te eerbiedigen als 't godlijkst werk van God; Des Wevers hand te zien in iedren draad van 't lot; De hand te kussen, die kan wonden en genezen; Te weten, wat het zegt, waarachtig mensch te wezen....

XXXI.

That is the question! - maar, ik keer, met frissche krachten, Tot mijn verhaal; gij heb geen trek hier te overnachten, En ik nog minder; dus, ik droom of divageer, In de eerste vijf à tien minuten, vast niet weer. Ik grijp den draad, ik leg den knoop nu en wíl hopen, Dat ik dien straks, bij tijds en netjes, moge ontknoopen.

XXXII.

Ik smeek mijn Hoorders nu eens dubbel op te letten, Gij raadt volstrekt niet, wat er komt van dat raketten! 't Spel is nog altoos en met geestdrift aan den gang, En duurt de lieve maagd voorzeker nooit te lang, Want hij weet telkens iets aan zijn volant te zeggen, Om aan de voeten der geliefde neer te leggen.

XXXIII.

Maar zie! daar slaat ze mis! dat is een zeker teeken, Dat zij vermoeid wordt - of naar 't rijpaard heeft gekeken, Dat juist daareven door den jockey voorgebracht, Zijn ruiter - ach, haar vrind! - met ongeduld verwacht. Half knorrig, half voldaan werpt zij 't raket ter zijde, En ik geloof dat zij den jockey haast benijdde.

XXXIV.

Het was een hartstocht van mijn ridderlijken jonker, Te zwerven door het woud, bij 't scheemrend zomerdonker, En nauwlijks ziet hij 't ros, of brengt een vluggen groet Aan heel 't gezelschap, plukt een roos en grijpt zijn hoed, En met een wipje springt en glijdt hij in de beugels, In de ééne nog 't raket, in de andere hand de teugels.

XXXV.

Ei, zaagt ge dat? het ging zoo vlug als waar 't getooverd! Zoo vlug als Don Juan ooit hartjes heeft veroverd! Juist op een oogenblik dat ieder in 't priëel 't Hoofd wendde naar 't gezang der zoete filomeel, Die me' iedren avond in 't bosschage placht te hooren, Waarom me' ook juist die plek had voor de thee verkoren -

XXXVI.

Juist in dat omzien, grijpt - uit een sigarenzakje, Voor 't kreuklen met veel zorg verborgen in zijn frakje - Mijn jonker een volant en slaat dien 't venster in, Dat open venster! dáár! een bode zijner Min, Want in de veertjes lag een rolletje, beschreven Met 't allerliefste Fransch, dat Venus in kon geven.

XXXVII.

't Was, als ik zeî, 't werk van een omzien: 'k vind het aardig En heel bizar, en dus mijn held ten volle waardig. Hij legt zijn jockey met den vinger 't zwijgen op, En vliegt van daar als een verwinnaar, in galop! Maar ach! hoe menigmaal de zoetste droomen liegen, En, Hoorders, waar een bal toch niet al heen kan vliegen!

XXXVIII.

Gij denkt, die bal ligt goed in 't slaapsalet van 't meisje, En proponeert haar straks een rendez-vous, een reisje, Een schaakpartij, wie weet! Gij, Hoorders - weet het niet, De jonker evenmin, en zoo 'k u raden lief, Ik vrees, dat ge uw geduld al heel gauw zoudt verliezen En mij liet staan, niet mijn verhaaltjen - in mijn kiezen.

XXXIX.

De zaak is, dat er vier, vijf vensters open stonden, De zaak is, dat de knaap, te driftig, te opgewonden, Of door een toeval, zich in 't rechte had vergist, Of door een kleinen tocht zijn doel juist had gemist - Hoe 't zij (ik heb 't verhaal als deugdlijk waar vernomen) De bal, mijn Hoorders, was in 't eind te land gekomen - -

XL.

Niét op of bij 't toilet van een bezorgde moeder, Niét naast de sofa van een plagerigen broeder, Niét voor de voeten van een oude, dienstbre geest, Die mooglijk boven juist aan 't wrijven was geweest, Niét in het slaapsalet der rimpelige tante, Maar - vlak voor 't ledikant der Fransche gouvernante.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken · P.A. Génestet · Poetry Cove