LXXXI.
De beide jongelui van straks, Minerva's kruis,
De lieve dochter en de brave vrouw van 't huis,
Elk had zijn deel in 't feest. Toen, hoorders, bleef ten leste, -
Let op; want ik bewaar voor 't laatste het allerbeste -
Toen bleef er in dien zak des heils, die op een stoel
Geheel was uitgepakt te midden van 't gejoel,
Nog over - éen surprise, een klein, wit, aardig pakje!
Zeer netjes toegemaakt; mijn hoorders, met een lakje!