XC.
Daar komt beweging in den zoutklomp. Met zijn hand
Zich krabbend in zijn pruik: ‘'t Gaat boven mijn verstand:
Maar 't is zoo, 't moet zoo zijn!’ - En van zijn vreugd bekomen, -
't Was vreugd die dus hem trof - terwijl de levensstroomen, -
Want o hij was verjongd, hij leefde meer dan ooit,
Meer dan een Bruigom voor zijn jonge Bruid getooid! -
Terwijl dan 't bloed weêr bruist door de' aardschen tabernakel,
Geeft hij ons, andermaal, een ongezien spektakel.