XXI.
Die hij had liefgehad - de lieflijke, de zachte,
Met wie hij steeds nog leefde, in heilige gedachte -
Ontviel hem, ach! te vroeg, en jaren reeds geleên;
Hij was nog jong toen en de kindren waren kleen.
Twee wichtjes liet zij na, twee meisjes, rozeknopjes
Op leliestengels, twee aanvallige englenkopjes.