XXXVIII.
‘Maar, Vader...’ ‘'k Heb in d' Oost geen vrienden en geen zaken;
'k Begeer met niemand ooit in kennis te geraken,
Daar in dat Apenland! Ik sluit mijn hart, mijn deur
Voor al wat oostersch is, al was 't de Goeverneur!
Daar zijn er hier genoeg om zulk een brief verlegen,
'k Sta hun den mijnen af - hij breng hun vreugde en zegen!’