XVII.
De geest, de geest alleen maakt vrij! die doode letter
Doemt u tot slaven! Ziet den suffen letterzetter
Of, wat mij 't zelfde dunkt, den ouden kamerrot,
Die perkamenten kauwt, en in wiens geest de mot,
(Het vliegje des verderfs,) als in zijn boeken huishoudt,
Wiens vunze lettertaal geen reedlijk mensch voor pluis houdt.