Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

III.

Zij bidt, zij buigt de knie in haar verlaten kluis: Maar 't schorre meeuwgekrijsch, het doffe golfgebruis Stoort telkens haar gebeên... en duizend beelden spelen Of spoken haar door 't hoofd: de zee en haar tooneelen, De thuiskomst op de ree, de storm, die 't hulkje slaat. - Intusschen, in zijn kast, als 't bloed in de ader, gaat De slinger heen en weêr, die met zijn kalme slagen Den tijd, èn lente èn herfst èn blijde en droeve dagen, Als weg doet zinken, stuk voor stuk, in 's afgronds schoot, Daar ieder klokgetik, van vreugde beide en dood Het sein is in 't heelal, en wichtjes roept in 't leven En graven opent.

Zij, door zorg en angst gedreven, Zij peinst: ‘'t Is toch wel hard zoo arm te wezen! ach, De meisjes gaan barvoets, ook met den winterdag; En wittebrood is lekkernij, die alle dagen Niet voorkomt... Groote God! hoor, hoor wat schrikbre vlagen...’ Gelijk de blaasbalg van een smidse loeit de orkaan; Of reuzenvuisten in hun toorn het aanbeeld slaan, Zoo raast het op de kust. Als ijle haardvuurvonken Verschieten in de lucht de starren, die er blonken, In donkren wervelwind. 't Is 't uur, waarin de nacht, Van onder 't zijden maske, een luchtig danser, lacht. En 't uur, waarin de nacht, omfloersd met storm en regen,

- Een kaperkapitein, uit de' afgrond opgestegen - Een armen zeeman grijpt en neersmakt op de rots... Zijn jongste noodgehuil sterft weg in 't golfgeklots.... Zijn hulkje splijt - hij zinkt - beveelt zich Gods genade, En denkt - aan de' ijzren ring en 't zonnetje op de kade.

De zee bruist rustloos voort, de nacht is droevig zwart, Als, van deez' beelden vol, haar arm geslingerd hart, Dat zich in tranen lucht....

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken · P.A. Génestet · Poetry Cove