XLVI.
Hij had met nooblen zwier te Leiden gestudeerd,
En was op theses en vernuft gepromoveerd.
Het corpus juris had zijn geest hem niet ontnomen;
Hij leefde van zijn geld en van zijn zoete droomen,
Hield veel van verzen, ale en oesters en muziek,
Was niet vervelend en toch ver in politiek,
En twee-en-twintig jaar, 't geen schoonpapa deed zeggen,
‘Dat hij den ouden mensch nu spoedig af moest leggen.’