III.
Ik zong mijn huidig lied alleen uit levenslust,
Soms in een dwaze bui, soms in den arm der rust.
Natuurlijk, dat ik dus mijn zinnen niet vermoeide
Met hopelooze Min of moord en gruwlen broeide.
'k Ben zorgloos en tevreên, mijn lied moet vroolijk zijn:
Brengt peper aan en zout, o Muzen! geen venijn.
Dees glimlach doet geen zeer, tenzij ge u boos zoudt maken,
Als ik met zeekren dwaas een nootje heb te kraken.