Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

III.

Ik zong mijn huidig lied alleen uit levenslust, Soms in een dwaze bui, soms in den arm der rust. Natuurlijk, dat ik dus mijn zinnen niet vermoeide Met hopelooze Min of moord en gruwlen broeide. 'k Ben zorgloos en tevreên, mijn lied moet vroolijk zijn: Brengt peper aan en zout, o Muzen! geen venijn. Dees glimlach doet geen zeer, tenzij ge u boos zoudt maken, Als ik met zeekren dwaas een nootje heb te kraken.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken · P.A. Génestet · Poetry Cove