XLIII.
En ondertusschen ging daar stil een venster open
Op Mary's slaapsalet, en op haar teenen slopen
Twee schimmen langs 't kozijn en zien - en zien - ja wat?
Gij weet het, Hoorders! doch ik zeg alleen maar: dàt!
Een scène, daar ik haast geen naam voor weet te vinden,
Een ridikuul dat ik niet toewensch - aan mijn vrinden.