XXVIII.
O sinds ik eenmaal, toen 'k van kiespijn half creveerde,
Mijn eigen ideaal, uit wrevel, dissekeerde,
Held van mijn zwarten Tijd! wat bleef, wat werd er van?
Hoe leek mijn Lucifer een spleenzieke Engelschman!...
Het martlaarskroontje gleê geleidlijk van mijn lokken,
En 'k was aan de' invloed van mijn boozen geest onttrokken.