XXVI.
Ja! welk een weelde mag de borst des mans doorstroomen,
Die, in het schoone kind, het bruidje zijner droomen,
De gade zijner jeugd herleven ziet! voor mij
Is deze liefde-soort de schoonste poëzij,
Daar reinheid, teederheid en kracht in samenvloeien;
Een gloed, die niet verteert, doch immer dóór blijft gloeien!