XLI.
De blonde Mary sliep den slaap van zestien jaren.
Zij droomt, dat zij haar vrind een bosje bruine hairen,
Al stoeiend, voor haar ring, ontrooft - hij gilt - ze ontwaakt,
Zij richt zich overeind - zij luistert - schrikt - zij maakt
Zich bang; 't zijn dieven! hoor! zij wil aan 't schelkoord trekken...
Maar neen, voorzichtig, zacht, zij gaat haar moeder wekken.