XXVII.
Kent gij die pijn? 'k hoop ja voor u en mij, Meneeren,
Want 'k heb geen lust om haar thans meer te detailleeren.
Ik wou mijn veder liefst niet doopen in het bloed
Van 't ongeduldig hart en teerverliefd gemoed,
En zou mij-zelven niet aan die descriptie wagen,
Al kwam mij 't liefste kind het op haar knietjes vragen.