XXVI.
Doch hier verwoest de Mail de vreugde van een leven!
De weduw heeft een brief, met potlood nog geschreven
Door de overdierbre hand van 't aangebeden kind,
Op 't ziekbed - maar voltooid door d' onbekenden vrind,
Die - aan zijn moeders plaats - trouw tot de laatste stonde,
In 't verre, vreemde land gewaakt heeft aan zijn sponde.