XLIII.
Ja, schoon hier alles veinst, het had niet weinig in,
Zich te verdraaien tot een schoonzoon naar zijn zin;
Dien berg van domme idées en nonsens gansch te slikken
En niet bij ieder brok van walging haast te stikken;
Te kijken naar zijn lint dat breed door 't knoopsgat stak,
Gelijk te geven of - te zwijgen, waar hij sprak,
Al sloeg hij door op iets hoe dom ook en hoe grievend,
Al prees hij nièt ‘de Tijd’, maar erger.... ‘'t Letterlievend.’