XXX.
't Was, hoorders, Sint-Niklaas. Ziet verder in het rond,
De kindren hangen op de stoelen, langs den grond:
't Zijn één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven kinderkopjes,
Nu, bij het minst gedruis, schier onder pijpendopjes
Te vangen - dan weêr, fluks bemoedigd door de taal
Der lieve moeder, aan het woelen door de zaal: -
Zoodat een heer aan 't vuur al eens zijn ‘br’ liet hooren,
Maar nog te goed schijnt om de kindervreugd te storen.