XXIV.
Toen was hij pijlsnel naar de boerderij gevlogen
En zwolg een groot glas bier met toegeknepen oogen,
Stak zijn sigaar op, en zoo onverwacht als koen
Gaf hij de boerendeern een hartlijke' afscheidszoen,
Die geurig klapte en klonk, en zeî: ‘ziedaar, me lammetje!
'k Heb achting voor je bier en dank je voor je vlammetje!’