II.
En daar zwalkt hij, haar schat! Sinds de eerste jongensjaren Bekampt hij, 't visscherskind, het noodlot op de baren. Hij, weer of geen weer, steekt in zee, in d' avondstond, Wanneer op 't zwarte hoofd de vloed stijgt: mond bij mond Wacht immers brood van hem! Hij, 't ruw bedrijf gewassen, Bestuurt zijn bark alleen op de ongemeten plassen. De visschersvrouw is thuis, waar zij het aas bereidt, 't Gescheurde zeilwerk lapt, de netten maast en breidt. Doch als de vijf straks in de rust zijn, zoekt zij vrede In 't Bijbelboek en bidt en volgt hem, in gebede, Die daar op de' afgrond drijft, in hollen winternacht. - Ja, ruw bedrijf! De lucht is zwart, geen starre lacht, Het wisslend plekjen, als in duisternis bedolven, Waar, onder 't barnend schuim der opgeruide golven, De visch te zamenschoolt, bij rots en blinde klip, Is, op den Oceaan, vast niet meer dan een stip, Groot, als de kamer! En om nu die stip van zegen Juist uit te vinden, in den mist, den killen regen, Te winternacht en op die bolle woestenij - Dat is geen kinderwerk! Hoe naarstig moet getij En wind berekend! Luk en zeemanskunst zich paren! - Als slangen schuiflen langs het boord de groene baren, De kolk bruist op, 't getouw slaakt als een kreet van wee... Hij denkt aan vrouw en kroost, bij 't woeden van de zee, Zij thuis aan hém; en hun gevleugelde gedachten Ontmoeten vaak elkaêr in donkre najaarsnachten
Cookies on Poetry Cove